openBoekje: 1ste zondag van de vastentijd
In de bijbel vinden we twee scheppingsverhalen. In het eerste (Genesis 1), dat het zevendagenlied wordt genoemd, laat God alles vanuit het water ontstaan. In het tweede (Genesis 2), schept de HEER God de wereld uit stof van de aarde. Het verhaal kwam tot stand na de aankomst in het beloofde land dat, na de barre woestijntocht, welhaast een paradijs leek. Vandaar dat we het kennen als het paradijsverhaal.
'Toen boetseerde de HEER God de mens uit stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.'
Het is een zin die me altijd weer ontroert, omdat hij zegt: mensenkind, je leeft van Gods eigen adem. Hoe het je ook vergaat of welke wegen je soms kiest, vergeet nooit dat je een goddelijk wezen bent. Een joodse wijsheid zegt: 'De grootste bekoring is deze die je wil doen vergeten dat je een koningszoon bent.'
Maar het bijbelse mensenkind kiest voor het kwaad: in de paradijselijke tuin staan in het midden de boom van het leven en de boom van de kennis van goed en kwaad. Ze staan pal naast elkaar: de boom van het altijddurende goede leven en de boom van het gehoor geven aan Gods stem. Maar de slang verovert zich een plaats tussen de HEER God en zijn mensen. Omdat ze regelmatig van huid vernieuwt, had ze in het oude oosten een goddelijke status. Ze kende immers het geheim van de eeuwige jeugd. Dokters en apothekers voeren haar ten andere nog altijd in hun schild. Maar tegelijk werd de slang ook gevreesd om haar listige sluwheid. 'Ze zei tot de vrouw: Heeft God werkelijk gezegd dat ge van geen enkele boom in de tuin moogt eten?'
We kennen het vervolg. De vrouw laat zich verleiden en eet de vruchten van de boom. Ook de man eet ervan. 'Nu gingen hun beider ogen open en zij ontdekten dat zij naakt waren.'
Het is een gevoel dat ons niet vreemd is. Wat niet mag, heeft een bijzondere aantrekkingskracht. Niet voor niets heeft de "verboden vrucht" zich in ons taalgebruik genesteld. Tot we ervoor kiezen en er naakt bijstaan. Als slaven die op de markten naakt ten toon stonden. Als gevangenen die naakt in ballingschap werden gevoerd. Naakt staat voor: berooid, verlaten, ontluisterd. Het paradijs ontnomen.
Agnes Lameire, Levende Kerk, februari 2005