openBoekje: 2de zondag van de vastentijd
Het verhaal van Jezus op de berg met Mozes en Elia wordt ons in elk van de drie synoptische evangelies verteld. Zie de commentaren daarop in de nummers van Levende Kerk: maart 2001 voor Lucas en maart 2000 voor Marcus.
Had Petrus het bij het juiste eind toen hij drie tenten wilde opzetten? Dan zou het weer zijn zoals in de woestijntijd. Ook toen woonde God tussen zijn mensen in een tent. Waarom dat oude ideaal niet herstellen? ’Het is maar goed dat wij hier zijn’, zei hij en hij voelde zich een uitverkorene. Het gelaat van de Meester straalde als de zon en zijn kleren waren wit als licht. Mozes en Elia, de groten van vroeger, waren ook van de partij. Zelfs de wolk van Gods tegenwoordigheid ontbrak niet. Petrus kon er niet genoeg van krijgen. Maar toen hij de stem hoorde, kwam de angst. Er zijn grenzen. Een mens kan niet te veel van het goede aan. Met twee voeten op de grond is het leven toch maar veiliger dan met je hoofd in de wolken. Dus wierp Petrus zich, samen met Jakobus en Johannes, neer op de grond. ’Ze waren vreselijk bang’, schrijft Matteüs.
Hoelang hebben ze daar gelegen? Konden ze nog overeind? Het was gevaarlijk om in Gods nabijheid te komen, leerden de oude schriften. Geen mens die zoiets overleven kon. Wie Hem had gezien, moest sterven.
Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: ’Sta op en wees niet bang.’ Toen ze hun ogen opsloegen, zagen ze niemand meer dan Jezus alleen.
O die geruststellende aanraking! De hand van de Meester helpt hen terug op de been. Ze herleidt alles weer tot de juiste proporties. Zijn hand doet wonderen. Net als moeders hand die de baby sust. Of de vergevende hand die rust op mijn hoofd. De hand die de zieke troost. Mijn eigen hand die de hand van de stervende drukt. ‘Wees maar niet bang’, zegt die hand. God vangt je wel op.
Agnes Lameire, Levende Kerk, februari 2002