openBoekje: Pasen

Blijkbaar kon zelfs Johannes er niet onderuit. Net als de drie andere evangelisten gunt ook hij vrouwen de eer om als eersten te ontdekken dat de Heer niet meer in het graf ligt. Dat was "op de derde dag volgens de schriften". Bijbels gezien is die derde dag altijd de dag van Gods tussenkomst. Die "derde dag" is in de jonge Kerk de "eerste dag" geworden, onze zondag. Een nieuw begin, elke week weer Pasen in het klein. Johannes brengt drie verschijningsverhalen. Jezus laat zich herkennen door Maria van Magdala (20,16), door de leerlingen zonder Tomas (20,20) en door de leerlingen mét Tomas (20,26). Het eenentwintigste hoofdstuk, dat over de verschijning bij het meer in Galilea vertelt, werd later toegevoegd.

In de evangelielezing loopt Maria van Magdala naar het graf. Het was vroeg in de morgen, "terwijl het nog donker was." Hebben we hier te maken met de tegenstelling van licht en duisternis waarover de evangelist Johannes het wel vaker heeft? Dan mogen we daaruit verstaan dat het licht van de vroege morgen er al was, terwijl het Licht van Jezus zelf nog afwezig was. Zo gezien was het inderdaad nog donker. Maria ziet dat de steen is weggehaald, maar leidt daar niet uit af dat de Gekruisigde verrezen is. Ze loopt naar Simon Petrus met op haar lippen een graftijding: "De Heer is uit het graf gehaald". Ook Petrus ziet enkel maar de keurig opgevouwen doeken van de dood. Alleen de leerling "die van wie Jezus hield" ziet dwars door steen en doeken heen. "Hij zag en kwam tot geloof."

Voor de geliefde leerling waren de tekens voldoende. Hij hoefde niet te zien met zijn ogen. Hij zag met zijn hart.


Agnes Lameire, Levende Kerk, maart 2002

copyright | privacy | home

[XHTML 1.0] [CSS]