Woensdag 18 maart
Merkwaardig: na
drie dagen cursus over kuis leven, over ons psychosexueel welzijn, en
na mijn opmerking dat de nadruk nogal op onze inzet lag en niet op Gods
genade, laat staan op de intrinsieke rijkdom van de kuisheid, gaf onze
professor ruiterlijk toe dat hij daar ook niet veel over wist te
zeggen. Hij was nu eenmaal psychotherapeut, geen theoloog. 'Maar wel
veertig jaar jezuiet', bedacht ik me achteraf. Hoe komt het toch dat we
zo zelden enthousiast over onze kuisheid (of onze armoede of
gehoorzaamheid) spreken? Het was goed dat de professor het belang van
vriendschap benadrukte, van de communauteit, van ontspanning en gebed,
want vaak - en ik ben geen uitzondering - leven jezuieten "van werk
alleen". Maar moeten we echt deskundig zijn, theoloog, om over een van
de drie grondslagen van ons meest innige geluk te spreken, over de
gelofte van kuisheid? Zeker, we moeten ons bemind weten, en zeker, we
moeten anderen bijstaan.
Onlosmakelijk daarmee verbonden echter, in de liefde zelf, niet als een
volgende stap, niet als een loslaten na vastgehouden te hebben, is de
onbaatzuchtigheid, die niets voor zichzelf verlangt. Zo te mogen leven
is werkelijk een genade, een goddelijk geschenk dat mijn hart bij
iedere ontmoeting en bij ieder afscheid groter maakt, ruimer, met
plaats voor nog meer mensen, naar het beeld en de gelijkenis van Jezus'
Hart. Heerlijk!... en onmogelijk zonder Hem.
